Het jak gaat uit

Het was in 1933 dat een moedige vrouw, Lutje de Graaf-Duijst (1896-1978),   die aan de Zuidwenk woonde, het aandurfde vanwege de warmte zonder jak naar de zondagse dienst in de Noorderkerk te gaan. Haar voorbeeld vond navolging, want de volgende week waren er nog enkelen die hetzelfde deden. Binnen enkele maanden zag de predikant de kleur van zijn kerkvolk, althans van het vrouwelijk deel, verschieten. De donkere jakken maakten plaats voor steeds fleuriger kraplappen. De kraplap, tot dat moment een weinig opvallende schouderbedekking, is sindsdien hét gezicht en hét pronkstuk van de Spakenburgse klederdracht geworden. Het besluit van deze vrouw betekende in feite de emancipatie van het opvallendste stuk van de klederdracht.

Als één ding als icoon van Spakenburg mag gelden, dan is dat wel de frisse en kleurige klederdracht van de vrouwen. Op Staphorst na werd tot voor kort in Nederland nog het meest klederdracht gedragen in Bunschoten-Spakenburg en Eemdijk. In 1990 waren er nog ongeveer 800 draagsters van de klederdracht. Dit aantal neemt echter voortdurend af. Nu zijn het er nog 100; de jongste is 75 jaar. Over 10 jaar zal de klederdracht zo goed als verdwenen zijn. 

Ontstaan van de klederdracht 1840-1920

Tot in de jaren 1840 onderscheidde de dracht van de Bunschoter boeren en de Spakenburgse vissers zich nauwelijks van die van omliggende plaatsen. Vanaf die tijd moet gelijktijdig met het ontstaan van het gesloten dorpskarakter de eigen ontwikkeling van de klederdracht zijn begonnen. Deze kwam neer op een behoud van bestaande vormen (een niet meegaan met nieuwe vormen) met eigen accentaanpassingen. Er was verschil tussen boeren- en visserskleding, zomer- en winterkleding, alsmede zondagse dracht en werkkleding.

De kinderkleding ontwikkelde zich in duidelijke leeftijdsfasen. Er waren overgangen rond het 1e jaar (jongetjes krijgen een klapmus en meisjes een pluummus), het 4e jaar (jongetjes krijgen mannenkleding), het 10e jaar (meisjes krijgen een lieffiessjullek) en het 16e jaar (meisjes krijgen vrouwenkleding).

Er bestond een apart huwelijkskostuum. Verder waren er verschillende stadia van rouwdracht: zware rouw, vierljaarsrouw, lichte rouw, waarbij op de kraplap geen enkel rood mocht voorkomen.

Stilering van de klederdracht 1920-1950

De huidige alleen nog door vrouwen gedragen klederdracht is in een tijd van een kleine eeuw in feite voortgekomen uit de werkkleding van de vissersvrouwen. De jaren 1920 en 1930 zijn hierin van doorslaggevende betekenis geweest. Terwijl in die decennia de eigen mannendracht aan zijn terugtocht begon, bereikte de vrouwendracht door zogeheten stilering van de afzonderlijke onderdelen zijn uiteindelijke vorm: gehaakte en later ook gesteven ongermus, opgestreken aanvankelijk plat liggende en later opstaande kuuf, steeds prominenter aanwezige gesteven kraplap met smaller wordende rooie doek, en groeiend stukkie – later ook gesteven en weer kleiner – boven de sjullek. 

Dit geheel werd ‘op het hoogste niveau’ in de zondagse dracht definitief zichtbaar toen het jak verdween. Bovenmuts en overschort waren rond 1900 al verdwenen.

In feite komt het er op neer, dat de Spakenburgse vrouw, wellicht door de armoede die na 1900 algemener werd, de dure en bewerkelijke bovenkleding aflegde, het laatst in de zondagse dracht, en zich voortaan in werkkleding vertoonde. Vervolgens onderging deze werkkleding, toen de welvaart mondjesmaat terugkeerde, een fleurige opwaardering, die resulteerde in de huidige gestileerde dracht. Dit proces heeft zich tussen ongeveer 1930 en 1950 voltrokken.

Verdwijnen van de klederdracht na 1950

De specifieke mannendracht begon vanaf 1920 in rap tempo te verdwijnen. Hij kreeg vanuit de jongere generatie geen aanvulling meer. Na 1945 had de boerenschooljeugd geen klederdracht meer aan. Oudere vissers bleven nog trouw aan de overgeleverde kleding tot in de jaren 1960.

De neergang van de vrouwenkleding zette na de Tweede Wereldoorlog in. Men ging dan zogezegd, ‘in burger’. Tussen 1950 en 1970 werd de dracht op grote schaal afgelegd, waarvoor als voornaamste reden de bewerkelijkheid ervan werd opgegeven. Vanaf 1955 zijn er geen nieuwe draagsters bijgekomen. De jongste vrouw die het nu nog draagt, is geboren in 1950.

24 Het jak gaat uit

Wil je ook lid worden van de Historische Vereniging Bunscote?