De bevolking van Bunschoten is in genealogisch opzicht uniek. Tot de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een nogal geïsoleerde en gesloten gemeenschap met haar eigen sociale verschillen en onderlinge verwantschappen. Deze min of meer op zichzelf staande populatie met hechte interne verbanden is na 1800 ontstaan en beleefde haar hoogtij tussen 1850 en 1950. De gehechtheid van de bevolking aan dit stukje wereld was daarom zeer groot en is dat nog steeds. Men verhuisde liever niet en als vreemde kwam je er soms maar moeilijk tussen. Toch zijn de Bunschoter en Spakenburgse families ooit ook van elders gekomen. Ze zijn ooit allemaal ‘vreemden’ geweest.
Afgezien van mogelijke oerbewoners in Uitwijk, moeten de eerste bewoners uit omliggende oudere dorpen als Soest, Baarn en Hoogland zijn gekomen. Overeenkomst in voornamen uit de oudste bronnen bevestigt dit. Diezelfde bronnen laten zien dat al rond 1440 de familienamen Nagel en Heuveling voorkwamen. De rest van de bevolking had over het algemeen nog geen familienaam, maar werd nader aangeduid met patronymen (vadersnamen), beroepen of andere kenmerken. Uit de oudste kerkregisters kan worden afgeleid dat rond 1675 vele directe voorouders van nu nog bestaande families al in de gemeente woonden: in Bunschoten: Ter Beek, Blokhuis, Duijst, Van Halteren, Schaap; in Spakenburg: De Graaf, Hartog, Heek, Heijnen, Heuveling, Hopman, Koelewijn, Meester en Poort; aan Eemdijk: Huijgen en Nagel. Tegen 1700 waren deze familienamen algemeen ingeburgerd.
Het vaste deel van de bevolking bestond uit gezeten boeren en gevestigde vissers. Arbeiders en ambachtslieden zonder vaste goederen vormden het vlottende deel van de bevolking. Maar soms bleven ze. In de 18de eeuw kwamen nieuwe bewoners het meest van de westelijke Veluwe: vaak arbeiders, maar soms ook rijke landbouwers: Roos 1707, Van Zoest 1715, Van Twillert 1722, Van den Bos 1730, Wildeman 1732 (†1917), Van de Groep 1733, Hoolwerf 1734, Korlaar 1735, Van de Kolk 1741, Vedder 1751, Varenkamp 1760, De Jong 1763, Malestein 1763, Van de Geest 1770, Beekhuis 1772, Dekkers 1773, Pijpers 1782, Koops 1783, Bonneveld 1784, Luttink 1784 (†1951), Ter Haar 1791, Veldhuizen 1796, Beukers 1805. Een aantal van hen ging later over op de visserij.
De vissersbevolking werd aangevuld door: Zijl 1678, Muijs 1748, Zwaan 1765, Ruizendaal 1785, Nieuwboer 1793, Van Diermen 1794. Bos 1797, Van Veen 1807.
In de 19e eeuw kwamen veel boerenarbeiders nog altijd uit het oosten: Bast, Berendse, Boelhout, van Boeijen, Dop, van Dijk, Dijkhuizen, Van Goor, Van der Goot, Van den Hoogen, Hop, Jansen, Kraaij, Van de Mheen, Van Tamelen, Van der Veen, Van de Pol, Hoeve, Nel. De vissers kregen uitbreiding van De Harder, Kok, Van der Poel, Smit, Stekeur, Vermeer, Versteeg, Van de Vuurst.
Werkgelegenheid was een aantrekkingskracht. Na de oorlog werd het tekort aan werknemers eerst opgevangen door Friezen. Daarna door gastarbeiders; zij kwamen vooral uit Turkije. Voor het eerst maakte de bevolking toen kennis met niet-christelijke dorpsgenoten. De moslims hebben sinds 2003 een eigen moskee. Met de uitbreiding van de Europese Unie volgde vanaf 2004 de instroom van Poolse en andere Oost-Europese werknemers. Na 1970 werd het uitbreidingsplan Bikkersvaart mede gebouwd om mensen uit het Gooi te huisvesten: de zogenoemde Gooise overloop. De komst van grote groepen ‘vreemden’ zorgde voor de nodige commotie, tot op het niveau van de gemeenteraad toe.