Visafslag

Ambulante vishandelaren

In de 18e eeuw is de vis waarschijnlijk voor een groot deel naar afslagen in Harderwijk en Monnikendam gebracht, omdat deze plaatsen het stapelrecht bezaten. Maar een deel is steeds aan plaatselijke handelaren aangeboden. In 1800 woonden er in Spakenburg 11 karlui (op 33 vissers). Lopend, met handkarren of hondenkarren trokken zij er op uit naar markten in de omtrek. Rond 1875 moeten er zeker 50 vishandelaartjes zijn geweest. In 1916 werden er in Spakenburg zo’n 100 trekhonden geteld, waarvan een flink deel de hondenkarren trok.

De sociale status van de karlui was minder dan die van de vissers met een eigen botter. Ze hadden een eigen boezeroen, die er met zijn strepen wat minder ‘deftig’ uitzag.

Van visbewerking was aanvankelijk weinig sprake. De eerste grotere rokerijen zijn er pas rond 1875 gekomen (zie kaartje bij venster 15): het waren enkele kleine handelaren die daarmee begonnen. Hier ligt het begin van het onderscheid tussen de groothandel, vooral voortgekomen uit deze rokerijen, en de kleinhandelaren, die zich tegenwoordig manifesteren in de talrijke ambulante visboeren.

Na de Eerste Wereldoorlog gingen er steeds meer mensen in de visventerij werken omdat de visserij zelf minder werd. Het aantal visventers steeg van 67 in 1920 tot 180 in 1930. De transportfiets en de T-Ford deden hun intrede en het afzetgebied werd groter.

De kleine handelaren waarborgden hun belangen in de Vereeniging van Klein-Vischhandelaren Z.V.B., later de Coöperatieve vishandelsvereniging ‘Oud en Jong’, die tot jaren 1960 bestond. Tegenwoordig is er de plaatselijke branchevereniging VNV, 1982 aangesloten bij de landelijke VNV (Verbond van de Nederlandse Visdetailhandel). De Spakenburgse Vishandelsvereniging, opgericht in 1988, om gezamenlijk sterker te staan tegenover de groothandel (die de 2% omzetbonus afschafte), verzorgt vanaf 1995 om de twee jaar een prestigieuze visbeurs. Het overgrote deel van de ongeveer 130 zelfstandige ambulante vishandelaren (die samen meer dan 1000 marktplaatsen in Nederland hebben) is hierbij aangesloten.

Visgroothandelaren

Vanuit een deel van de vissers (‘Ons Belang’) en grotere handelaren kwam rond 1900 de wens op om een visafslag te hebben. Kleinere visboeren waren er veelal op tegen. De eerste particuliere afslag had geen lang bestaan (1903-1906). Na lang overleg kwam er in 1919 een gemeentelijke visafslag. De komst daarvan heeft meer werk in de vishandel gebracht, omdat de aanvoer van vis groter werd.

De tussenhandelaren ontwikkelden zich in één generatie tot grote bedrijven. De familiebedrijven werden vooral na de Tweede Wereldoorlog flinke concerns, waarin de leiding werd overgedragen aan zakelijke directeurs. Vof’s werden BV’s. Sommige familiebedrijven zijn nog gesplitst.

Ten slotte bestonden er een stuk of tien. De vis werd in eerste instantie betrokken van de plaatselijke visafslag, later ook van andere nationale en zelfs internationale visafslagen (Scandinavië, Verre Oosten, Oost-Afrika). In het kader van de schaalvergroting sloot de lokale visafslag in 1985. In Nederland zijn nu nog 11 visafslagen, waarvan die van Urk de grootste ter wereld is.

De bedrijfstak werd gemoderniseerd door de introductie van koelings- en diepvriestechniek en beter vervoer. Men ontwikkelde zich door te specialiseren (o.a. palingroken) of te verbreden (totaalleverancier, kant-en-klaarmaaltijden). De producten gaan naar ambulante handelaren, visspeciaalzaken, supermarkten, horeca, de zorgmarkt en de verwerkende industrie.

Vanaf de jaren 1980 begon onder invloed van nationale en internationale wetgeving (o.a. visquotering 1983), veranderingen in de bedrijfseconomische- en logistieke sfeer en concurrentie vanuit de lagelonenlanden een proces van schaalvergroting. Sommige bedrijven gingen failliet of werden als dochterondernemingen overgenomen, in Spakenburg vooral door de Kennemervis Groep.

21

Wil je ook lid worden van de Historische Vereniging Bunscote?