Tussen 1713 en 1717 vertrok de in 1696 geboren Jan Jansz Trant naar Suriname. Vanaf 1705 was hij door de diaconie ondersteund. In 1745 kwam hij terug naar Nederland en in 1747 kocht hij als geldbelegging de hofstede Trantwijk (in de tegenwoordige Utrechtse wijk Transwijk). De diaconie wees hem op zijn morele plicht de ooit genoten ondersteuning terug te betalen, en wel met rente. Hij gaf er geen gehoor aan. De kerk moest wachten op zijn dood in 1776. Achteraf bleek dit het wachten waard.
Jan Trant was niet de enige die zijn Bunschoter geboortegrond verliet. In de 17e en 18e eeuw lokten de handelsgebieden in Oost en West meer dorpsgenoten.
Chirurgijn Joost Heeck vertrok naar de Oost en heeft een interessant dagboek van zijn belevenissen nagelaten. Hij kwam terug. Een boer uit de Veenestraat, Teunis Eliassen, ging rond 1650 naar Nieuw-Amsterdam (New York) en werd een verre voorvader van rock-’n-roll popster Elvis Presley. Een deel van zijn nakomelingen draagt de familienaam (Van) Benschoten of Benschoter.
Toen het in de 18e eeuw economisch minder ging met veeteelt en visserij vertrokken veel verarmde Bunschoters om elders een beter bestaan te vinden. Ze gingen vooral naar Amsterdam en omstreken, waar ze in de stad werk zochten of waar ze een boerderij begonnen. Deze uittocht duurde tot de jaren 1830.
In de 80 jaar na 1830 kende Bunschoten een bijzonder laag vertrekcijfer, omdat er genoeg werk te vinden was zowel in veeteelt als in visserij. In die tijd is het typische gesloten dorpskarakter ontstaan. Het percentage niet-Bunschoters bij huwelijken daalde van 26% (1801/25) naar 5% (1901/14). Bij de vissers was het isolement overigens groter dan bij de boeren. De grote emigratie van Afgescheidenen naar de Verenigde Staten in de jaren 1840 is aan Bunschoten voorbij gegaan.
Pas toen rond het begin van de 20e eeuw de lokale economie de grenzen van de groei bereikt had, begon de lokroep van verre veelbelovende streken weer gehoor te vinden. In die tijd waren de Verenigde Staten nog steeds het land van de grote toekomstdromen. Rond 1910 zijn een aantal Spakenburgers daar naartoe vertrokken: opvallend genoeg steeds afstammelingen uit de familie Nieuwboer.
In 1910 emigreerden de zwagers Adriaan Zijl en Jan Duijst met hun gezinnen naar het Zuid-Amerikaanse Chili, terwijl hun neefs Willem, Frank en Steven Koelewijn en Johannes Mercelis Nieuwboer een jaar later naar het Amerikaanse Minnesota vertrokken. Beide groepen hielden contact. Lutje Duijst (Chili) en Steven Koelewijn (Minnesota) wisten elkaar door een briefwisseling zelfs als levenspartners te vinden (1920). In 1922 en 1923 vestigden de Duijsten en de Koelewijnen zich in Hanford, Californië. Sommige van hun nakomelingen zijn in de Tweede Wereldoorlog als militair in Nederland terug geweest. Adriaan Zijl bleef in Chili en is daar overleden.
In de jaren 1920 en 1930, toen de visserij steeds minder lonend werd, verlieten verschillende jonge vissers het dorp. Ze kregen als zonen van belanghebbenden in het kader van de Zuiderzeesteunwet elders in Nederland een baan, vaak als ambtenaar.
Na de Tweede Wereldoorlog vond een kleine emigratiegolf plaats naar typische blanke immigratielanden als Canada, Australië, Nieuw Zeeland en Zuid-Afrika, maar ook naar Brazilië. Tot ongeveer 1960 zijn een vijftiental ondernemende jonge paren en jonge gezinnen vertrokken, de meesten naar Canada. In sommige gevallen waren het boerenzoons die daar voor hun bedrijfsuitoefening meer mogelijkheden zagen. Voor de tot dan toe gesloten dorpsgemeenschap was hun vertrek een opvallende gebeurtenis. Tegenwoordig zwerven Bunschoters en Spakenburgers over de hele wereld rond.