Onthoofding van Saab

Het geslacht Saab

Vanaf het begin van de 16e eeuw kan de familie Saab beschouwd worden als de regentenfamilie van Bunschoten. Vele generaties achter elkaar oefenden leden van deze familie het ambt van schout uit. Zij stamden af van Volcken Geerdingssoen, die in 1435 van de bisschop het schoutambt kreeg. Vanaf ongeveer 1550 tot 1629 waren zij in drie opeenvolgende generaties vrijwel onafgebroken waarnemers van het hoogste bestuurlijke en rechterlijke ambt in Bunschoten. Lambert van Hamelsbergen, de daarop volgende schout, was een nauw familielid van Saab. Twee dochters uit zijn eerste huwelijk trouwden met plaatselijke predikanten.

Uit de stamboom blijkt dat de familie Saab zich verzwagerde met de sociale toplaag van naburige plaatsen, zoals Nijkerk en Harderwijk, maar ook Amersfoort. Zo waren zij familie van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt (onthoofd 1619). In 1664 verhuisde Jacob Saab naar Amersfoort. Maar daar behoorde hij als voormalig plattelandsnotabele niet tot de regenten. Het was zijn zoon, Rijck of Richard (in 1681 in Bunschoten gehuwd met zijn achternichtje Marrijtjen Saab), die in 1703 zijn mislukte staatsgreep met de dood moest bekopen.

Zijn zwager Cornelis Foock, in 1684 gehuwd met Reijniera Saab, was van 1670 tot 1699 schout van Bunschoten geweest. Hij kan beschouwd worden als de laatste vertegenwoordiger van de Saab-dynastie. In het begin van de 18e eeuw is het geslacht Saab in Bunschoten uitgestorven. De onthoofding van Richard Saab staat symbool voor het einde van de invloed van deze familie in Bunschoten.



Schepenbank en dorpsbestuur

Het dorpsbestuur bestond in de 16e eeuw uit een schout en zes schepenen, die met elkaar een rechtbank vormden. Verder waren er twee burgemeesters en twee raden, die administratieve functies uitoefenden, zoals het uitzetten en innen van belastingen. Er was ook een secretaris, die de rechterlijke en notariële stukken schreef. Hij zat voor onbepaalde tijd. Het secretariaat is van 1661 tot 1723 door leden van de familie Schaap (verzwagerd met de familie Saeb) uitgeoefend. Vanaf 1762 deed notaris Johannes van Keizerswaart dit werk, en vanaf 1796 onderwijzer Wouterus Blokhuis.

De raden bleven één jaar in functie, terwijl de schepenen en burgemeesters steeds twee jaar aanbleven. Elk jaar trad de helft van deze mensen af, zodat ze steeds twee jaar in functie waren.

Deze colleges vulden zichzelf aan. Dat heet coöptatie. Van een verkiezing door de bevolking was geen sprake meer. Wel lijkt het er op dat er rekening mee werd gehouden dat niet alleen Bunschoten, maar ook Spakenburg en Eemdijk in de schepenbank vertegenwoordigd waren.

In 1663 maakten de schepenen bezwaar tegen het plan van Amersfoort tot het graven van een zogeheten Tweede Eem vanaf de Soester Melm naar Spakenburg.

In 1672, het Rampjaar, werd Bunschoten direct betrokken in de grote internationale politiek. De polders werden onder water gezet als beschermingsmaatregel tegen de oprukkende Fransen. De hele bevolking werd geëvacueerd naar Edam en bleef daar ongeveer een jaar. In 1673 keerden de meesten terug.

Bevolkingsoverzicht in 1675

Het daarna gemaakte bevolkingsoverzicht uit 1675 geeft het volgende beeld: er woonden in het hele gerecht 210 huishoudens. Daarvan woonden er 70 in Bunschoten, 108 in Spakenburg, 30 aan Eemdijk en 2 op Nekkeveld. Van de veehouderij leefden 54 gezinnen, van de visserij 36. Er waren verder 15 daghuurders, 10 karlieden en 65 ambachtslieden.

10

Wil je ook lid worden van de Historische Vereniging Bunscote?