Voor de visserij zou de aanstaande afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee grote gevolgen hebben. De brakke binnenzee met getijdenwerking zou een zoet binnenwater worden. Hoewel de visserij al vanaf 1900 achteruit ging, zou dit op den duur toch het definitieve einde van deze bedrijfstak tot gevolg hebben.
Voorlopig bleven de meeste vissers nog gewoon hun beroep uitoefenen. In 1922 had Spakenburg zelfs de grootste vissersvloot ooit: 209 botters. Er was nog steeds werk en de Afsluitdijk lag er nog lang niet, maar voor werkelijke vernieuwingen was geen animo meer. Na 1922 slonk de vloot in rap tempo. Afgeschreven botters werden met blik beslagen of voor de Oostdijk tot zinken gebracht.
Gedupeerden van deze achteruitgang (vissers en hun belanghebbenden) konden een aanvraag indienen voor een inkomensaanvulling op grond van de Zuiderzeesteunwet (1925). Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde de visserij zijn laatste bescheiden opbloei. De visserijvereniging ‘De Eendracht’ rekte haar bestaan tot 1963.
De gevolgen voor de werkgelegenheid moesten onder ogen worden gezien. Er ontstond in 1923 een eerste plaatselijke initiatief vanuit de Visserijvereniging om naar andere inkomstenbronnen uit te zien. Ook de gemeente en het Rijk deden dat.
Er waren alternatieven in de opkomende vishandel en visindustrie, in de loggervaart op de Noordzee en in overheidsfuncties elders. Maar dat was nog niet voldoende en niet iedereen wilde verhuizen. De gemeente kende in de jaren 1930 overigens wel een duidelijk vertrekoverschot.
Er moest dus nieuwe bedrijvigheid komen. Het gemeentebestuur onder leiding van de burgemeesters Pieter Besselaar (†1929) en Jacob de Vries (†1938) is in het zoeken van deze bedrijvigheid heel actief geweest. Zo kwamen er na enige moeite twee bedrijven die tot de oorlog met elkaar aan honderden mensen werk en inkomen verschaften. In 1929 vonden Samuel Frankfort en de gemeente elkaar om gezamenlijk de genoemde knopenfabriek in het dorp te vestigen. De gemeente betaalde in het begin een premie voor elke werknemer. In 1934 begon de schoenfabriek (na doorstart in 1937 als Pantolux) in een hal aan de latere Irenestraat (tegenwoordig Sterrenlicht-Calvijnschool).
De knopenfabriek was de grootste van de twee, met in haar topjaren 450 werknemers én thuiswerkers. De schoenfabriek had in 1936 voor 120 mensen werk. Dit getal zou ongeveer op dat niveau blijven. Tot lang na de oorlog behoorden beide fabrieken tot de grootste werkgevers. De schoenfabriek bestond tot 1970, toen zij failliet ging. De knopenfabriek werd in februari 1979 in de as gelegd door een fikse brand. De kunststoffenproductie werd op veel kleinere schaal nog tot 1982 in een noodhal voortgezet. De knopenproductie ging naar Nijkerk.
Oudere vissers die een kapitaaltje hadden opgebouwd bleven hun beroep trouw. Soms gingen ze over tot gezamenlijke eigendom van een botter. Vanaf de jaren 1930 werden de botters vaak van een motor voorzien.
In de nieuwe industrie vonden vooral jongere vissers, vissersknechten en boerenknechten, alsmede kinderen van vissers een baan. Ook kinderen van kleinere boeren uit Bunschoten en Eemdijk, die weinig perspectief hadden, vonden er werk. Afgezien van de niet-zelfstandige boeren en vissers, is de overgang er vooral een van de oude op de nieuwe generatie geweest. Voor Eemdijkers bestond ook de mogelijkheid om te werken in de Baarnse industrie.
Vanaf ongeveer 1900 werd het ten slotte gewoonte voor de Spakenburgse vrouwen om in grote huizen in Amersfoort, Baarn of Het Gooi en zelfs op Paleis Soestdijk een dienstbetrekking aan te gaan: een bijverdienste die tot de dag van vandaag is blijven bestaan.