De kolonisten die zich in Uitwijk en Bunschoten vestigden, waren boeren. Ze kregen de grond praktisch in vol eigendom en mochten die vrij aan elkaar verpachten en verkopen of onder hun kinderen verdelen. De schepenbank maakte verkoopakten en testamenten. De boeren behoefden niet eens tijns als grondbelasting te betalen, maar wel de tienden: grove tienden van graan, smalle tienden van andere gewassen en vee. Vanaf het begin was er grondbezit in handen van boeren uit Soest en Baarn, stedelingen uit Amersfoort en Utrecht, en instellingen, zoals kloosters, gasthuizen en andere kerkelijke stichtingen uit beide steden. De adel had geen grondbezit in Bunschoten.
De nieuwe nederzetting kreeg van de bisschop enkel de verplichting een jaarlijkse bijdrage van 24 ponden aan hem te betalen. Later kwamen daar wel de zogeheten landsheerlijke beden bij, onregelmatige belastingen voor bepaalde doelen, die de Utrechtse standenvertegenwoordiging toestond.
In het begin zijn er landbouwgewassen verbouwd, zoals uit dezelfde oude rekeningen blijkt. Er is sprake van roggeverbouw en van korenschoven. Twee eeuwen later werd er zelfs buiten de Veendijk (Oostdijk) nog gerst verbouwd. Er was ook veeteelt. In de rekeningen komen namelijk ook runderen en paarden voor. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er in de jaren 1330 gemengd bedrijf in Bunschoten werd bedreven.
De markt van Ter Eem (Eembrugge), waar Grote Coenraet voor zoveel commotie zorgde, diende in het noordelijke Eemland als lokale markt waar de vraag naar gebruiksartikelen en het aanbod van landbouwproducten elkaar ontmoetten. Later heeft Bunschoten zijn eigen markten gehad. Vooral de paardenmarkt heeft een lang bestaan gekend.
Bodeminklinking, die de grond natter maakte, maar ook internationale ontwikkelingen hebben vanaf het einde van de 15de eeuw veeteelt, of beter vetweiderij, bij uitstek dé boerenactiviteit in Bunschoten gemaakt. Koeien waren de belangrijkste productiemiddelen. Terwijl verse melk vooral zelf werd genuttigd, werden vooral kaas en boter, maar ook jong vee, vlees, hooi en (al mocht dat niet) mest te gelde gemaakt. Uit het kasboek van boer Harmen Pietersz Niezen (1735-1793) uit de jaren 1770 weten we dat vooral boter zijn handelsproduct was. De boereneconomie was toen al gespecialiseerd en marktgericht. Bunschoten was geen eiland. Gedurende zes eeuwen, tot het eind van de 19de eeuw, is deze vorm van boerenbedrijf vrijwel onveranderd blijven bestaan. Bunschoten was tot het midden van de 20e eeuw overwegend een boerendorp.
Tot aan het einde van de 17e eeuw ging het steeds beter met de vetweiderij. De boeren profiteerden van de bloei van de Hollandse steden en konden hun producten steeds duurder verkopen. In 1675 was Bunschoten dan ook een groot en rijk dorp.
Na 1700 ging het langzaam bergafwaarts. De belastingdruk nam toe, de prijzen van kaas en boter daalden, er was soms ernstige veepest. De bedrijfsvoering werd desondanks niet wezenlijk aangepast, zodat er armoede kwam. Kleinere boeren vertrokken noodgedwongen naar de stad, in dit geval vooral naar Amsterdam. Het landbouwbedrijf werd extensiever, waarschijnlijk meer hooiverbouw.
Pas in de 19e eeuw kwam er verbetering. De vetweiderij begon toen vooral te produceren voor de export, met name naar Engeland. Maar echte veranderingen in het boerenbestaan kwamen er pas tegen het jaar 1900.